Ransuilen (een kleine, vrij algemeen voorkomende uilensoort) brengen hun dagen ’s winters in grote groepen gezamenlijk slapend door. Dat doen ze op traditionele plekken, waar ze generaties lang jaarlijks terugkeren. Frits van der Sluis, tot voor kort stadsbioloog in Leiden, heeft me eens naar zo’n ransuilenhangplek meegenomen, die hij jaren geleden bij toeval had ontdekt. Want ik heb nogal een zwak voor uilen.

Het is bizar hoe goed gecamoufleerd ransuilen zijn. Daar doen ze ook hun best voor: ze maken zich lang en knijpen hun ogen dicht, waardoor ze sprekend op stukken boomstronk lijken (#boomstronkchallenge). Bij Frits’ hangplek loopt er een wandelpad dwars onder de conifeer door waar twintig uilen zitten te slapen – wandelaars passeren ze op twee meter afstand zonder ze te ontdekken. Zelfs als je weet dat ze er zitten, zijn ze moeilijk te zien.

In het park vlakbij ons huis staat een groepje treurige naaldbomen, op een vergeten hoekje van het volkstuincomplex. “Typisch een ransuilenhangplek”, denk ik altijd als ik er langskom (waarna ik mezelf een beetje uitlach om mijn zogenaamde kennersoog voor ransuilenhangplekken). Dat dacht ik dus ook tijdens het hardlopen, vanochtend vroeg – en terwijl ik de bomen passeerde, zag ik in een flits tussen de takken het silhouet van een ransuil, met die onmiskenbare oorpluimen recht omhoog.

Nu sta ik voor een dilemma. Ik wil teruggaan, met verrekijker en camera, om vast te leggen of er daadwerkelijk een groep ransuilen tussen de takken verscholen zit; met het risico dat het uiteindelijk toch een afgebroken tak blijkt te zijn die ik voor een uil aanzag. Maar tegelijkertijd koester ik de gedachte dat deze ransuilenhangplek een geheim is, iets tussen mij en de uilen. Dat ik er langs kan lopen en denken: ik weet dat jullie er zitten jongens, maar ik zal het niet verklappen. Een magisch clubje bomen, dat me er voortdurend aan zal herinneren dat er zelfs in dit drukke stadspark een verborgen wildernis verscholen kan zitten.

#boomstronkchallenge

Plaats een reactie