Jules Verne schreef een aantal boeken in de categorie ‘Robinsonades’: over kleine groepjes mensen die op een eiland stranden, en daar een bestaan aan de wildernis weten te ontworstelen. Het leven gereduceerd tot overzichtelijke problemen, die doorgaans op te lossen zijn met het eigen vernuft.*
De Robinson-fantasie trok Verne nogal aan, en mij ook: deze boeken wakkeren een diep verlangen in me aan om ook op zo’n eiland te stranden. Hoewel ik heus wel inzie dat het in de praktijk helemaal niet zo geinig zal zijn, wil ik toch óók in een grot wonen en op ontdekking gaan en het opnemen tegen de elementen. George Monbiot (ik noemde hem al eerder) zou dat verlangen aan ecologische verveling toedichten.
Robinsonades zijn prettige vluchtboeken, en een fantasie die ik diep koester. Het bordspel “Robinson Crusoe – adventures on the cursed island” heeft recent echter een nieuwe dimensie aan die fantasie toegevoegd. Of eigenlijk, heeft mijn fantasie meegenomen naar een donker steegje, genadeloos in elkaar geslagen en voor dood achter gelaten. Met wat welwillendheid zou je het een verrijkende ervaring kunnen noemen. “Karaktervormend”.

In tegenstelling tot veel andere bordspellen speel je Robinson Crusoe niet tegen elkaar, maar met alle spelers samen tegen het eiland. Idee is dat je als groep strandelingen moet zien te overleven op een onbewoond eiland, en in een bepaald aantal beurten een doel moet halen. In overleg verdeel je de arbeid die je per beurt te besteden hebt: gaan we proberen een dak te maken, voedsel verzamelen, het eiland verkennen? Je kunt alles gecontroleerd doen, door er meer aandacht aan te besteden, met grotere kans op succes; of je kunt wat meer op hoop van zegen spelen en je tijd zo veel mogelijk spreiden. Probleem is dat het eigenlijk allemaal tegelijk moet, en dat je nooit de luxe hebt om iets te laten. Elke beurt moet er eten en bouwmateriaal worden verzameld, het dak hersteld, een deel van het eiland ontdekt. Je wordt gedwongen om risico’s te nemen, om dan maar een nacht in de open lucht of zonder voedsel door te brengen. Ondertussen is het spel onverbiddelijk, gaat alles fout wat er fout kan gaan, en is de afstraffing voor het nemen van risico’s enorm. Het weer zit altijd tegen, je loopt voortdurend het risico op ongelukken, en je moet je plannen voortdurend aanpassen aan weer een grimmiger vooruitzicht. Je gezondheid neemt in hoog tempo af, en daaraan gekoppeld ook je motivatie als groep.

Ignacy Trzewiczek, de ontwerper van het spel, beschrijft op zijn blog hoe hij het spel als spelleider introduceert aan nieuwe spelers. Hij legt de regels uit, vertelt wat ze moeten doen om te overleven en het doel uit het scenario te behalen, en sluit af met: “en in ronde zeven gaan jullie dood.”

Elke tegenslag uit zich zo direct en fysiek dat je als speler heel diep, heel lichamelijk, bij het spel betrokken bent. Het gevoel dat je even rustig kunt ademen, op de spaarzame momenten dat het meezit, zijn intens. Nog intenser zijn de momenten dat alles misgaat: als het onverwacht gaat sneeuwen voor je een dak hebt kunnen bouwen, als je enige nabije voedselbron raakt uitgeput, als je niets meer kan door een ontstoken wond die je niet op tijd hebt kunnen behandelen, als je moet overleggen wie deze nacht geen eten krijgt.

Begrijp me niet verkeerd – het is een fantastisch spel. Niet alleen omdat ik nooit eerder een bordspel zo intens heb beleefd, maar ook omdat het een nieuwe, oprechte diepte heeft gegeven aan mijn eiland-verlangen.

Robinson.jpg

 

  • *Verne’s strandelingen hebben natuurlijk de beschikking over de meest moderne wetenschappelijke inzichten, en weten al snel batterijen, telegraaf-installaties en glazen ramen voor hun grotten te produceren. (En, pijnlijk, omdat Verne een kind van zijn tijd was, ook over zwarte bedienden die alles over hebben voor hun meester, een  arbitraire hiërarchie waar iedereen zich gewillig in schikt; een totaal gebrek aan vrouwelijke protagonisten; en een moorddadige hebzucht waarmee de wildernis wordt verwoest en de natuur wordt gereduceerd tot hulpbronnen.)

Plaats een reactie