Als we op de middelbare school de jaarlijkse Cooper-test moesten doen (zoveel mogelijk rondjes rond een sportveld rennen) dacht ik altijd: als ik er nu heel serieus bij kijk, heeft mijn gymleraar misschien niet door dat ik inmiddels bijna een rondje op mijn klasgenoten achterloop, en denkt hij dat ik ruim op kop ga. Natuurlijk werkte dat niet, maar het was verdomme òf dat, of mijn best doen voor gym. Met diezelfde strategische meesterzet wil ik nu het kookboek “Jamie’s Italië” hartelijk aanraden.
Het zit zo: ik vind koken verschrikkelijk. Iets moeten verzinnen om te koken, allemaal kutingrediënten snijden, alles tegelijk in de gaten houden, het eeuwige geklaag over “een tikje aangebrand” of “oh god ik moet kotsen”. Mijn haat was zelfs korte tijd onderwerp van een roemruchte kookrubriek. Maar door zo’n typische ironische speling van het grillige lot waar je altijd over hoort ben ik sinds een klein jaar eindbaas van het huishouden. En daarmee: het avondeten.
De ervaring leert inmiddels dat ik koken een stuk beter te doen vind als ik de punten opzoek waar de werkzaamheden overlappen met mijn ontwerpwerk: zorgvuldige materiaalkeuze, mooi gereedschap, ambachtelijke technieken, een sexy schort – dan maak ik iets waar ik trots op ben, en interessant over kan doen tegen Lex. Dus ploeg ik nu wekelijks allerlei kookboeken door, eten we bijna elke dag iets nieuws, en heb ik nog geen enkele keer een pan sperzieboontjes tegen de muur gesmeten.* En dit boek is een schier onuitputtelijke bron. Die shit is lèkker, verrassend simpel, en ziet er superprofessioneel uit! Bonuspunt: er staan allemaal indrukwekkende kooktermen in waarmee je dinerconversaties kunt “besprenkelen”. Of zelfs “larderen”!
Jamie Oliver: onthoudt die naam, jongens, die knul zou wel eens een grote kunnen worden.
* Wel een keer een pizza, maar dat telt niet want ik brandde mijn vingers.