Ik heb een hoop ambities voor onze grote nieuwe tuin. Eén daarvan is het aanleggen van verschillende soorten habitats, om diverse spectaculaire soorten inheemse planten te laten groeien. Hoog op mijn wensenlijstje stond de ronde zonnedauw (drosera rotundifolia), één van de drie zeldzame insectenetende planten die van nature in Nederland voorkomen. Een prachtig plantje, en gaaf bovendien.
Wel een veeleisend plantje: hij groeit alleen in voedselarme, drassige, zure grond, tussen het veenmos. Om ‘m in die wensen tegemoet te kunnen komen begon ik met het opkweken van veenmos. Dat is eenvoudig: het spul wordt in gedroogde vorm verkocht (als vulmateriaal voor kerststukjes ofzo) maar veenmos is taai genoeg om lange periodes van droogte te overleven. Gooi een zak leeg in een schaal, zet die buiten, en goeie kans dat het weer opleeft.
Veenmos wordt gewonnen in gebieden waar de ronde zonnedauw van nature voorkomt – onder bedenkelijke omstandigheden, las ik later. Hoe dan ook, in zo’n zak gedroogd mos kunnen dus ook al zaden van ronde zonnedauw zitten. Ontdekte ik dit voorjaar, toen er schijnbaar uit het niets een viertal aanlokkelijke rozetjes in mijn moskweekbak verschenen.